Het is gek, hoe snel het leven gaat. Hoe hard alles soms aan je voorbijflitst, zo snel dat je niet eens meer door hebt dat het gebeurt.
Maar soms, héél soms, heb je een choquerende gebeurtenis, zoals de dood van een geliefde. Dan mag je stilstaan. Dan duurt een week ineens een jaar, een week waarin je bij moet komen. Maar is die week voorbij, dan ben je weer terug in de snelle stroom van de tijd, waarin de dagen op elkaar beginnen te lijken en volgepropt zitten met routine. Dan raak je sneller gewend aan de bijbehorende verandering dan je lief is, en moet je alsmaar weer door. Omdat het moet, omdat je geen keus hebt, omdat je anders volgestopt wordt met medicijnen en therapie omdat zoiets ‘depressie’ heet.
Maar ergens vergeet je de verandering nooit. Je vergeet nooit helemaal hoe het eerst was. Je draagt het toch altijd ergens met je mee, het verlies, en soms mag dat weer even naar boven komen.
Zoals vandaag.

Het is gek hoe snel ik gewend ben geraakt aan het verlies van opa, en het ging veel sneller dan me lief was. Heel snel heeft mijn hoofd zich aangepast en ga ik nu alleen nog ‘naar oma’ in plaats van ‘naar opa en oma’. Heel snel was het al niet meer vanzelfsprekend dat ik een soms heerlijk gekke opa had met wie ik eens in het jaar eens wat geks ging doen, met als hoogtepunt de fietstocht van vorig jaar. Heel snel was mijn grootste zorg weer of de trein wel op tijd kwam, in plaats van dat ik in mijn hoofd bezig was met mijn verlies. En dat moet ook. Maar ergens is het toch wel heel snel gegaan.
En nu schrijven we 6 september 2012, en is er om ruwweg 21:30 PM precies een jaar verstreken sinds ik dat paniekerige telefoontje van oma kreeg. En is het om ruwweg 23:40 PM precies een jaar geleden dat mijn vader de kamer binnenliep met een uitdrukking waaruit ik al af kon leiden wat er gebeurd was.

Ik ben er sterker door geworden. Ik heb mijn tanden op elkaar gezet en heb me op mijn studie gestort, er zeker van dat ik het nu helemaal zou gaan maken, juist omdat ik de woede op de dood van mijn opa om kon zetten in woede op mijn tentamens, zodat ik ze kon halen.
En ik kan ook prima door zonder mijn opa, maar toch zal ik hem nooit vergeten. Op het rouwdicht, dat op de rouwkaarten is beland en wat ik in een vorige blog heb behandeld, heb ik kortgeleden nog een vervolg geschreven. Dat was naar aanleiding van de fietstocht die ik samen met mijn neef had gedaan, ter ere van hem.

De pedalen van onze fietsen
Bewegen zich voort
Het wordt nooit meer hetzelfde
Maar het is een begin

‘Oeh-ah-oeh-ah’
Zo gaan wij de heuvel op
Gelijk in houding en verdriet
Met één meer dan dat lijkt
We komen aan.

Mijn leven ziet er nu ook heel drastisch anders uit dankzij opa’s dood. Ik heb mijn onzekerheid van me afgeschud, ik heb nieuwe – geweldige – vrienden gekregen en ik ben erachter gekomen wie, onder de vrienden die ik al had, mijn echte vrienden waren. (En ik heb er daar heel veel van :3)
Zonder opa’s dood had ik mijn eerste jaar misschien niet gered, juist door die woede. Zonder opa’s dood had ik misschien niet ingezien wie mijn echte vrienden waren. Zonder opa’s dood had ik nooit die geweldige fietstocht met Martijn gemaakt. Zonder opa’s dood had ik het verdriet dat andere mensen hebben als ze iemand kwijtraken, nooit echt begrepen. En, misschien wel het belangrijkste, is dat je volgens mij pas echt volwassen wordt als je eerste geliefde sterft, en dat begrijp ik nu. Zonder opa’s dood was ik pas later volwassen geworden.

Maar, weet je wat? Ik had dat allemaal ingeruild, zonder aarzelen, gewoon om hem hier nog een jaartje of wat meer te kunnen hebben. Zodat oma geen verdriet heeft nu. Zodat hij mijn blogs nog een keertje kan lezen. Maar, bovenal, zodat ik nog één keer die prachtige woorden kan horen.
“Haa m’n jongen!”

Ik mis je nog altijd, opa.

Wat een leegte
tussen jou en mij
We namen afscheid
dat is vrijheid
Maar nu ik merk
dat ik de weg kwijt ben,
zou ik willen
dat jij me thuis brengt – BLØF, ‘Was je maar hier’

Advertenties