Category: Hobby’s


NaNoReflectieMo

Hoewel ik er dit jaar geen blog aan voorafgaand heb geplaatst, heb ik ook dit jaar meegedaan aan NaNoWriMo! Dus daar gaat dit blogje met name over. Ik ga niet in op wat NaNo precies is, dat heb ik de vorige jaren al gedaan, je kan evt dit blogje teruglezen als je meer wilt weten. Wat ik in dit blogje wil doen is delen wat ik denk dat ik van de ervaring heb geleerd, want volgens mij is dat aardig wat.

Dit jaar had ik mezelf voorgenomen dat ik weer de 100K ging halen. Ik ben een heel snelle schrijver, 50K op zich is voor mij nooit moeilijk geweest. Wat wel lastig voor me is geweest, is dat ik zelden een lang verhaal heb geschreven – het langste dat ik ooit heb gehaald is een verhaal van 75K dat uiteindelijk, na stevig aanpassen, 83K aan woorden werd.
Ik ga elk verhaal in met de vraag, ‘wat kan ik hiervan leren?’. Ik wilde met het verhaal dat ik hier voor ogen had, leren hoe ik langere verhalen schreef. Mijn doel was om de 100K te halen met één verhaal – want dat ging ver voorbij wat ik normaal gesproken deed. Ik was, en ben, het gewend om dingen in korte hoofdstukken op te schrijven, in verhalen rond de 50K. Ik heb vorig jaar bewezen dat ik hoofdstukken van rond de 3.000 woorden kon hebben binnen de 50K. Dit was een poging voor mij om mijn horizon wat te verleggen en te kijken of ik datzelfde kon binnen de 100K.

Helaas, hoewel ik de 100K heb gehaald, vind ik niet dat ik mijn persoonlijke uitdaging gehaald heb, ik vind niet dat ik geleerd heb hoe ik langere verhalen schrijf. En dat heeft twee redenen.

Reden één heeft ermee te maken dat ik elke NaNo een outline schrijf. Ik zeg altijd, ik denk daarin na zodat ik niet tijdens het schrijven na hoef te denken. Op die manier schrijf ik sneller tijdens het schrijven zelf, omdat ik niet alles hoef te bedenken, het staat al voor me klaar.
Het probleem dat ik hierbij had, was dat ik niet zoveel tijd aan de outline had besteed als dat ik zou moeten. Mijn outline telde 27 hoofdstukken: reken maar uit, 100.000 delen door 27 komt ongeveer uit op 3.704 woorden. Dat was dan ook het minimum – meer hoofdstukken kreeg ik niet uit het verhaal, dus moesten mijn hoofdstukken gemiddeld dat aantal bevatten.
Probleem is dat ik nog steeds outline alsof mijn hoofdstukken rond de 2.000 woorden zijn, want dat was ik vroeger gewend. Wat vreselijk lastig is, want dan heb je dus 1.704 woorden die er ook nog bij moeten om die 100K maar te halen. En één keer is uiteraard niet erg, maar als het blijft gebeuren kom je niet op je doel, dus moet je dingen gaan verzinnen.
Daardoor heb ik echt zoveel mogelijk kul op moeten gaan schrijven, op een gegeven moment, om maar ervoor te zorgden dat het 100K werd. En sommige kul is goeie kul – ik heb op een gegeven moment de stad in mijn fantasywereld een vervoermiddel gegeven dat ongeveer vergelijkbaar is met een metro, en dat werd heel nuttig voor mijn verhaal en was niet gebeurd als ik mezelf daar niet de ruimte voor had gegeven – maar de meerderheid is gewoon niets minder dan kul.
Bovendien ben ik er ook achter gekomen dat 3.704 woorden per hoofdstuk gewoon teveel is. Mijn outline had meer hoofdstukken moeten hebben zodat ik minder per hoofdstuk hoefde te hebben.
Wat ik hiervan kan leren, is dus dat ik mijn outline-vaardigheden aan moet gaan passen zodat ik langere hoofdstukken ermee kan schrijven. Ik moet dit oefenen.

Reden twee komt omdat ik het gewoon gewend ben om kortere verhalen te schrijven. Ik heb me voor dit verhaal beperkt tot één perspectief, alles vanuit zijn oogpunt beschrijvend, en dat zorgde ervoor dat ik bepaalde dingen ook niet op kon schrijven. Een karakter die buiten het perspectief van mijn hoofdfiguur om dingen deed, aan zichzelf begon te twijfelen – nee, dat kon ik niet opschrijven, ik had maar één perspectief en daar moest ik me aan houden. Dat was niet eens heel moeilijk – ik heb me vaker tot maar één perspectief beperkt – maar beperkte me wel heel erg in mijn mogelijkheden.
En ik heb mezelf af zitten vragen, waarom ben ik nu zo streng geworden in perspectief, voor mezelf? Ik heb vaker dingen met meerdere perspectieven geschreven die ik ook gewoon aankan, dat heb ik wel bewezen. Waarom ben ik zo bang om aan perspectiefwisselingen te doen? Komt regelmatig in fantasy voor, en dat is wel het genre waarin ik het liefst schrijf.
Het is een mooi doel voor een volgende NaNo, misschien die van vorig jaar – een verhaal schrijven vanuit meerdere perspectieven en daar de 100K mee halen. Veel simpeler, veel makkelijker ook, je hebt veel minder verhaal nodig voor dat woordenaantal en kan het tegelijkertijd toch boeiend houden. Ik denk dat ik momenteel gewoon niet de vaardigheden heb om 100.000 woorden te schrijven vanuit één perspectief en die alle 100K interessant te houden. 50K, prima, maar dit is niet waar ik goed in ben.
Nog niet.

Mijn doel is nog altijd om uitgegeven te worden met een Nederlandstalig fantasyboek en Nederlandse fantasy op die manier ‘cool’ te maken. Dit soort vragen die ik aan mezelf stel, en manieren waarop ik mezelf probeer te laten leren, zijn voor mij manieren om beter te worden als schrijver. En hopelijk uitgegeven te worden.

Nog iets dat ik geleerd heb, trouwens, aan deze NaNo, is wel positief – ik ben nog sneller gaan schrijven.
Even wat achtergrondinformatie – ik zeg altijd, ‘als ik 2.000 woorden in een uur haal heb ik m’n dag niet’. Als ik 2.000 woorden in een uur haal gedurende NaNoWriMo moet ik naar het ziekenhuis want dan ben ik héél erg ziek. Het gemiddelde is dan ook normaal gesproken zo rond de 2.500 woorden per uur.
Maar, grappig genoeg, deze november raakte ik steeds vrij consistent de 3.000 tot op het punt dat het ongeveer m’n gemiddelde werd. Ik ben twee keer zelfs, tot mijn eigen stomme verbazing, over de 3.500 woorden gegaan – iets wat ik nog nooit eerder had gehaald. (Record tot nu toe: 3.658 woorden in een uur) Hoe komt dat? Schrijf ik altijd al sneller maar merk ik het nu pas op? Of komt het omdat ik nu door het jaar heen, ook buiten November, mezelf blijf stimuleren om te blijven schrijven? Eerlijk gezegd heb ik geen idee.

Maar, hoe gaat het nu met de andere NaNoërs hier?

Advertenties

Kort blogje vandaag maar ik had nog iets beloofd in het verleden. Ik had, om precies te zijn, beloofd wanneer de volgende retreat in Amerika open zou gaan.

Plottwist, plottwist: hij is al open! En nog leuker, er is dit jaar geen limiet! Iedereen kan mee als ze het willen. En alsof dat nog niet genoeg was, het is op een cruise-schip. Jawel, je krijgt colleges over schrijven op een cruise-schip.

Wel één nadeeltje: ik ga ook mee, dus je zult me moeten tolereren als je daar ook wilt zijn. Maar dat is maar een klein verschilletje neem ik aan, toch?

Schrijf je wel zo snel mogelijk in, want hoe langer je wacht, des te hoger wordt de prijs. Maar ik kan jullie garanderen, het is zeer zeker de moeite waard, dus ga!

Waarom heb ik zo vreselijk lang gewacht om over de beste week die ik mee had kunnen maken, te bloggen? Het antwoord is simpel maar ironisch – het kost me erg veel moeite om iets op papier te zetten dat zelfs maar weerspiegelt hoe geweldig de week is geweest. Want ja, ik heb een geweldige week gehad. Een hoogtepunt van het jaar, zo niet het hoogtepunt, ondanks waar ik bang voor was.
Zullen we het maar gewoon proberen, nu, een maand later? Goed *haalt diep adem* We gaan bij het belangrijkste beginnen.
WXR gang

Deze vier schrijvers zijn de mensen die ik heb bezocht in Amerika. Ik ga er niet gedetailleerd op in; daarvoor kan je deze blog teruglezen. Wel zal ik even kort zeggen wie wie is, als je dat wilt weten: links staat Brandon Sanderson, daarnaast Dan Wells, daarnaast Mary Robinette Kowal en Howard Tayler staat helemaal rechts.

Laat ik beginnen bij de reis. Er gebeurt bij mij namelijk iets heel grappigs als ik een vliegtuig stap. Ik heb namelijk absoluut geen last van vliegangst(gelukkig): sterker nog, mijn angst houdt op zodra ik in het vliegtuig ben.
Wat er namelijk vóór de vlucht gebeurde, die keer en waarschijnlijk elke keer als ik zelf een vlucht organiseer, is dat ik me vreselijk zorgen maakte over of ik wel echt alles bij me had. Of ik alles in had gepakt, geen domme dingen was vergeten, of mijn bagage wel goed terecht zou komen en of die niet te zwaar was… en als ik me daar geen zorgen over maakte, dan was mijn grote zorg wel hoe het daar was. Het waren vier mensen die ik op een enorm voetstuk had staan, zouden ze me wel aardig vinden? Zou ik wel bij de groep passen, als enige niet-native speaker?
Dat alles verdwijnt zodra ik in het vliegtuig stap. Dan blijft mijn angst achter en kijk ik naar beneden naar een prachtige wolkendeken. Het opstijgen is een vreselijk irritante ervaring, maar zodra ik dan in de lucht ben is er niets meer aan. Dan wordt de week ineens leuk en dan vraag ik me af waar ik me eigenlijk zorgen over maakte.

Want ik heb me nergens zorgen over hoeven te maken. Ik kwam helemaal uitgeput uiteindelijk aan in het hotel(werd opgepikt door de vrouw van Dan Wells; zij kwam erachter dat ik Duits sprak en aangezien zij een paar jaar in Duitsland had gewoond hebben we aardig wat Duits gewisseld). Daar kwam ik de rest van de groep tegen, die me gelijk – maar kort – met open armen ontving en het daarna heel goed begrepen dat ik naar bed ging. (Zes uur tijdsverschil. Het was, behoorlijk letterlijk, een lange dag)

En daarna begon het pas echt. Ik zal niet ingaan op de specifieke schrijftechnieken die ik geleerd heb(al mag je me natuurlijk altijd om meer info vragen als je nieuwsgierig bent): waar ik wel op in zal gaan, zijn de dingen die ik door heb gemaakt als fan. Want natuurlijk, ik kom daar om te leren hoe ik beter kan schrijven, en dat het vier schrijvers zijn die ik op een voetstuk heb staan is maar een bonus – maar het is wel een prachtige kers op de taart.

Allereerst, deze foto…

Me & FIREFIGHT!

Ik sta daar op de foto met een boek van Brandon Sanderson. No big deal, toch? Nee, totdat je weet dat dit boek op 5 januari 2015 uitkomt. En daar lag het toevallig te slingeren. Ik was niet eens van plan om het te lezen, ik had zoiets van, dat mag niet – dus ik sprak Brandon Sanderson erop aan, pas op met dat boek, wie weet wie het gaat lezen, en zijn antwoord? ‘Je mag het best lezen, hoor, hou het gewoon hier op de campus, dan is er geen probleem’.
Als fanboy weet je dan wel hoe laat het is. Natuurlijk, ik heb dat boek opengeslagen en stukgelezen zodra ik de kans had. Voor eenieder die benieuwd is hoe het vervolg van Steelheart is – ik heb beloofd niets te delen over de inhoud, maar wat ik wel kan zeggen is dat ik het een zalig boek heb gevonden.

Recording WX sesson 3

Eén van mijn favoriete onderdelen van de week, was het luisteren naar de podcast. Deze vier schrijvers organiseren gezamenlijk een podcast genaamd Writing Excuses – daar was deze retreat ook van – en daar hebben ze ook een aantal podcasts opgenomen. En daar zit je zelf dus bij, je zit gewoon te luisteren en te kijken naar hoe ze zelf de podcast opnemen. Je hoort het gesprek van tevoren, ‘wat gaan we bespreken’ ‘wat heb jij te vertellen’ ‘wat wordt onze schrijfprompt voor vandaag’. En drie afleveringen van degenen die ze op hebben genomen, waren Q&A’s: de leerlingen stelden de Qs, zij gaven de As. En ja, de vragen werden ook opgenomen, en ja, ik heb ook twee keer een vraag gesteld. Mocht je naar de podcast luisteren, ooit zal je mijn stem horen. (Ik ben de enige met een buitenlands accent 😉 )

Croquet LARP 2
(Met dank aan Sunil Patel, een andere leerling daar – dit is niet mijn foto)

Croquet LARP. Oh help, hoe ga ik dat beschrijven. Het was zeg maar cricket(wat ik ook nooit heb gespeeld) behalve dat iedereen een eigen klasse had en daardoor bepaalde dingen kon doen. Ik weet de details echt niet meer en bovendien gaat dat niet tof klinken op papier. Wat ik alleen maar kan zeggen, is dat je erbij had moeten zijn. Het was geweldig en de regels die er waren bleken na een tijdje wel heel flexibel. Elk team had zijn eigen motto; ik zat in Team Pie(op de foto), ook was er Team Cake. Het motto van Team Cake? The Cake Will Rise. Het motto van Team Pie? What is dead may never pie. En raad eens wie dat motto had bedacht? Hihi. (Waarschijnlijk niet grappig als je geen GoT kijkt)

Pie-chart10KAllStars
(Beide foto’s zijn, opnieuw, van Sunil Patel)

Deze twee lijsten illustreren eigenlijk hoe sterk het gericht was op schrijvers, zodat je zoveel mogelijk en zo goed mogelijk je woorden produceerde. Ik zal eerst de linkerlijst uitleggen.
’s Avonds was het toetje altijd pie, taart dus. Alleen, je moest je toetje verdienen door minimaal 314 woorden per dag te schrijven. (Pi = 3.1415…) Had je dat aantal niet gehaald, dan kreeg je dus geen toetje.
Schreef je op één dag 3142 woorden, en je deed dat vóór zaterdag, dan mocht je op zaterdag uitkiezen welke pie ze gingen maken. Ja, ik sta op de linkerlijst, en ja, ik heb uitgekozen – ik koos voor lactosevrije appeltaart. Ze hebben het druk gehad zaterdag. Maar de taart die ik nam was heerlijk.
De titel van de rechterlijst legt al een deel uit van haar bedoeling. Twee leerlingen kregen het idee, zullen we proberen om 10.000 in één dag te halen? Ja joh, waarom niet. Daar kregen een aantal andere leerlingen lucht van. En vervolgens ook Mary Robinette Kowal, de enige dame van de instructeurs – en die had meteen een mooie beloning. Als je 10.000 woorden in een periode van 24 uur wist te schrijven, dan kreeg je een outline van één van haar verhalen gemaild: Of Noble Family, of Ghost Talkers. En ja, ik sta ook op de rechterlijst. Handig om het zo van ‘achter de schermen’ te bekijken, want ik heb de outline gelezen en het is erg leerzaam.

And Alexander was never seen again
(Dankjewel, Sunil)

Rock City is een toeristenattractie in de buurt van Chattanooga, echt tegen de grens aan. Daar zijn een aantal vrijwilligers ook heen geweest en ook daar was het geweldig, een mooie afleiding van het schrijven. Plus, drie van de vier instructeurs waren er ook bij. Op zo’n moment heb je gewoon even een heel groot ‘ik hou van mijn leven’-moment; omdat je ineens beseft met wie je naar die attractie gaat. Het is zeg maar een rotsenformatie, uitgehouwen voor toeristen. Er zijn allerlei winkeltjes te vinden en er is een (overigens onbedoeld doodenge) soort Sprookjesbos te vinden waar er allerlei Amerikaanse, maar ook internationale sprookjes staan afgebeeld. Met tuinkabouters. Die je overigens overal zag, dat was vast een grapje van de organisators.

Reading of A Night of Blacker Darkness
(Sunil. Jep, alweer)

Dan Wells was bezig om één van zijn boeken, A Night of Blacker Darkness, in een theaterproductie om te zetten, met hulp van zijn zus. Hij was bezig om zijn verhaal om te zetten in een script voor theater. En uiteraard had hij daar een aantal mensen bij nodig, om uit te testen of het daadwerkelijk zo leuk was als dat op papier stond. Er waren een aantal karakters, en die werden rondgedeeld aan de verschillende mensen die zich aangeboden hadden. Eén van de karakters was Gustav, iemand met een Slavisch accent; Dan vroeg dus ook, ik zoek iemand met een Slavisch accent. Mijn antwoord was ‘ik heb een accent?’. Op de één of andere manier werkte dat; ik sta ergens op zijn site in de eerste lezing van het script als Gustav. Het was erg leuk.
Op de foto staan trouwens Gama Martinez, Martin Cahill & Sara Glassman, drie andere leerlingen, elk met hun eigen rol. Dan Wells is degene helemaal links. Martin was de hoofdrolspeler.

Mary at workBrandon at workDan at workHoward at work
(Deze foto’s zijn van… mezelf. Bedankt, mezelf)

Natuurlijk zijn de instructeurs zelf ook schrijvers en hebben die zo ook hun eigen verhalen te schrijven en hun eigen dingen te doen, als ze ons niet aan het lesgeven waren(of taarten aan het klaarmaken!). Ik had voor mezelf de missie aangenomen om een foto te krijgen van allevier de schrijvers, elk druk aan het werk. En het is me gelukt, zoals je ziet! (Van links naar rechts: Mary, Brandon, Dan & Howard)
De week was in twee delen opgedeeld; het eerste deel was les krijgen, het tweede deel was zelf schrijven en toepassen wat je geleerd hebt. Vooral tijdens het tweede deel was het echt duidelijk hoe goed we er konden schrijven.
Het allerbeste daaraan was namelijk dat er twee huizen waren. En het mooie, beide huizen hadden WiFi, maar er was maar één huis waarvan we het WiFi-wachtwoord hadden. Het andere wachtwoord werd van ons verborgen gehouden. Dus, stel, je bent research aan het doen voor je verhaal en moet daarvoor op internet zijn? Je gaat naar huis één en daar doe je je ding, je doet je research. Maar dan ben je klaar en besef je ineens, je zit geen research meer te doen, je zit op Reddit. Wat doe je? Heel simpel, je pakt je boeltje en je gaat naar het andere huis. Afleiding weg en je kunt weer aan het werk. Dat was echt geniaal gevonden.

Ik heb nog veel meer meegemaakt dan dit. Ik heb gedanst met Mary Robinette Kowal die me vlug een makkelijke wals leerde, om iets uit haar verhaal te illusteren, ik heb twee bordspellen gespeeld met een groep waar Dan Wells bij zat(en allebei overigens gewonnen!), ik heb Howard Tayler in zijn pyjama’s mogen spotten en ik heb geluisterd naar wat Brandon allemaal te vertellen had over uitgevers. Er waren twee honden; Buster, een volwassen hond, en Xiaochi(als ik dat goed spel), een puppy, waar ik ook eindeloos over door kan gaan. Maar ergens moet je een keer stoppen en dit is voldoende. (Als je meer over de puppy wilt lezen – het beest heeft een eigen blog en hier kan je zijn perspectief lezen)
Uiteindelijk was de vlucht naar huis het lastigste. Aan de ene kant duurde de week lang omdat ik zoveel had gedaan. Aan de andere kant had ik nog veel meer tijd gewild met deze mensen. Niet alleen de instructeurs, ook de leerlingen en ook het huis. Ik mis Kara’s enthousiasme, de gesprekken in het Duits met Dawn, de gesprekken met Mary’s vader(de meest nieuwsgierige man die je je voor kan stellen) en met Mary’s moeder(de retreat was bij hen thuis georganiseerd), de heerlijke kookkunst van Jason Gruber… maar het houdt een keer op. Natuurlijk, de eerste keer weer gewoon Nederlands horen is leuk, en natuurlijk, het is leuk om eindelijk na een lange reis je laatste vlucht naar huis te kunnen pakken…
2014-10-07 08.09.05

…maar uiteindelijk is het, als je eenmaal weer thuiskomt en je door je ouders wordt opgepikt, ergens toch wel flink balen dat het voorbij is en wil je terug.

Ik wil toch afsluiten met een schrijftip, de beste schrijftip die ik in Amerika heb gekregen. Grappig genoeg kreeg ik die niet in een college, maar in een 1-op-1-sessie. Woensdag kregen we allemaal 15 minuten met een instructeur naar keuze en mijn instructeur was Brandon. Ik heb hem een aantal vragen gesteld, maar ben met mijn belangrijkste geopend.
Want zie je, sinds ongeveer een jaar geleden is het schrijven voor mij niet meer zo makkelijk gegaan als eerst. Moest ik worstelen om woorden neer te pennen, want ik vond dat ik troep schreef en er niets aan kon doen. Terwijl ik daarvoor ook troep schreef, maar mezelf destijds geweldig vond, geen idee had van de kwaliteit van wat ik neerpende. Ik wist dat Brandon hetzelfde had gehad; het schrijven was eerst makkelijk, en daarna een stuk lastiger, dat wist ik door de podcast. Maar nu is hij een uitgegeven – en zeer actieve – schrijver. Dus mijn vraag was ook, hoe ben jij er doorheen gekomen toen, toen het schrijven niet meer makkelijk was en je een idee had wat voor troep je neerpende?
Zijn antwoord was(en ik citeer niet letterlijk maar uit geheugen): “Ik moest beseffen dat ik dol was op schrijven. Ik moest door hebben dat als ik vijftig zou worden en mijn hele leven slechte verhalen had geschreven en nooit uit was gegeven, dat ik dan nog steeds tevreden zou zijn met mijn leven, want ik had een leven lang geschreven. Wat er precies gebeurde bij mij – en ook bij jou nu – was dat mijn leesniveau eindelijk mijn schrijfniveau inhaalde en ik besefte wat de kwaliteit van mijn werk was. Ik moest beseffen dat ik moest leren, dat het niet uitmaakte of ik slechte verhalen schreef, want het schrijven van een verhaal is zijn eigen beloning.
Je bent 22, toch? Laten we eens zeggen dat jij eerder uitgegeven wilt worden dan ik. Ik was 27 toen mijn eerste boek gekocht werd door een redacteur, 30 toen die werd gepubliceerd(Elantris). Dat betekent dus dat je vijf jaar hebt om me in te halen. Vijf jaar waarin je je schrijfniveau kunt verbeteren. Meer dan genoeg tijd. Dus schrijf en maak jezelf beter. En al doe je het niet, je schrijft, is dat in principe niet al super genoeg?”

Ik ben het roerend met hem eens. Want zelfs al word ik niet uitgegeven, zelfs al komen mijn ambities niet goed terecht, ik doe een goede studie en ik zou het toch ook niet erg vinden om ontwikkelingspsycholoog te worden. En die woorden moest ik vreselijk graag horen.
Het schrijven is niet makkelijk, nog steeds niet, maar nu begrijp ik waarom en nu kan ik er ook doorheen komen. En, net zoals elk ander advies dat ik daar heb gekregen, is dit me bijgebleven, hopelijk voor de rest van mijn leven.
Amerika is geen eind, maar een begin, en nu kan ik dat gebruiken om zelf meer te leren. Kan ik het gebruiken voor mijn eigen carrière, mijn eigen ambities.

En dat is denk ik wel het allermooiste aan mijn reis over de oceaan.

Eenieder die me op mijn Engelse Twitteraccount www.twitter.com/dutchaver volgt wordt ermee om de oren geslagen, praktisch iedere dag (waarvoor mijn excuses, maar ik kan me echt niet meer inhouden): Amerika komt dichterbij. En met dichterbij bedoel ik héél dichtbij; op het moment van schrijven duurt het nog vijf dagen voordat het zover is.

Nog even een opfrismomentje voor eenieder die geen idee heeft waar ik het over heb. Er is een Engelse schrijfpodcast genaamd Writing Excuses die elke maandag een nieuwe aflevering uitbrengt met een onderwerp waar schrijvers het moeilijk mee hebben. Dat onderwerp kan het schrijven van mannelijke karakters zijn, of hoe je een goede wereld opbouwt(de podcast is vooral gericht op fantasy & sci-fi). Zo af en toe gaan ze in op het zakelijke aspect van schrijven en vertellen ze bijvoorbeeld over je relatie met je editor of uitgever. De podcast wordt gegeven door vier schrijvers: Mary Robinette Kowal, die korte fantasyverhalen schrijft en daarnaast een boekenserie onderhoudt die het best te beschrijven valt als Jane Austen met magie, Dan Wells, die horrorboeken en post-apocalyptische fictie schrijft die je behoorlijk aangrijpt, Howard Tayler, die een sci-fi webcomic genaamd Schlock Mercenary draaiende houdt sinds 2000 en zonder falen elke dag een nieuw stripje post, en voor mij het klapstuk – Brandon Sanderson. Hij is mijn favoriete fantasyschrijver, bouwt werelden op waar ik dol op ben, en schrijft (dikke) boeken die ik met heel veel plezier lees.
Dit jaar organiseren ze in Amerika, Chattanooga om precies te zijn, een ‘Out Of Excuses Retreat’. Dat houdt in dat je voor een week les van ze krijgt en alle gelegenheid krijgt om te schrijven. Je mag de schrijvers die het organiseren vragen stellen en ze zijn zelfs bereid om een boek te signeren.
Ik weet wanneer ik een kans krijg als ik hem zie en deze greep ik dan ook met beide handen aan. Ik heb op de inschrijftijd achter mijn beeldscherm gezeten, al nagelbijtend, en met succes – de inschrijftijd was iets van drie seconden, maar ik was wel binnen. Ik heb erg veel geluk gehad.

Het wordt mijn eerste intercontinentale reis, wat sowieso al spannend is; mijn eerste vlucht duurt iets van acht uur en daarna zit ik nog drie uur op mijn overstap te wachten, waarna ik dan nog een uurtje moet vliegen. Het wordt daarmee ook mijn eerste keer Amerika en mijn eerste jetlag. Voor alles moet een eerste keer zijn en ik heb er altijd al wel een beetje van gedroomd om de Atlantische Oceaan over te steken. Ik vind het allemaal vreselijk en spannend. Soms zit ik de hele dag nagel te bijten uit angst dat het fout gaat, dat ze me niet aardig vinden of dat ze me eruit gooien omdat ik geen native speaker ben; soms zit ik de hele dag te springen omdat ik niet kan wachten totdat het zover is. Die laatste houding wordt overigens wel sterker naarmate het dichterbij komt, want kom op, ik ga naar Amerika en krijg daar schrijflessen van vier mensen die ik op enorme voetstukken heb staan. (En ééntje iets hoger dan de rest)

Dat gestuiter van me is overigens niet zo heel handig momenteel. Het probleem is namelijk, ik heb een tentamen donderdag. Het zou in principe geen heel lastig tentamen moeten zijn aangezien het maar over de helft van de stof gaat(het is een ‘deeltoets’) maar ik heb me voorgenomen dat ik er hard voor ga leren. En dat leren is niet makkelijk als je hoofd tegen je schreeuwt, AMERIKA AMERIKA AMERIKA. Ik probeer mijn hoofd te kalmeren maar dat gaat me niet altijd even makkelijk af. Dus ben ik een stuiterbal als ik dat stiekem eigenlijk helemaal niet wil zijn.
Over tentamens gesproken, zoals jullie misschien nog wel weten heb ik mijn bachelor net niet gehaald, ik had voor één vak helaas een onvoldoende en dus kwam ik vijf studiepunten tekort voor mijn bachelor. Dus heb ik een half jaar om één vak te halen.
Probleem is alleen dat het niet halen van mijn bachelor eigenlijk ook wel een beetje aan mezelf ligt. Natuurlijk, de manier waarop ik dacht dat ik het haalde was logisch en het is gewoon vreselijk zuur dat me dat is ontzegd, maar de discipline is er voor mij al een tijdje uit. Psychologie als studie vraagt helaas erg weinig van je, zeker als je in een hoger jaar zit, en als je niets te doen hebt naast je studie, dan ga je op een gegeven moment inzakken en zit je de hele dag te gamen omdat je verder niets te doen hebt. En als je de hele dag gamet terwijl je buiten je tentamenperiode zit dan is dat niet erg als er toch al niet veel van je wordt gevraagd, maar het probleem is dat het daar niet bij blijft. Zak je buiten je tentamens in, dan wordt het ook steeds lastiger om tijdens je tentamens je aandacht erbij te houden.
Met die houding heb ik mijn laatste tentamens gemaakt – eigenlijk geen houding, omdat ik het gewoon niet meer kon. Ik was ingezakt en mijn discipline kwijt. Op die manier heb ik het aan mezelf te danken. Dus is dat mijn missie voor het komende halfjaar; mijn discipline terugwinnen, want met deze houding mijn master instappen is niet bevorderlijk.
Inmiddels heb ik een baantje(ander baantje dan dat blogs schrijven, ik heb het liever niet hier over hoe dat is afgelopen) maar dat vult mijn dagen alleen op donderdag en vrijdag. Dus ja, hoe vul je dan je dagen, naast je studie?
Het antwoord is aan het begin van dit blogje te vinden. Natuurlijk, schrijven. Dus dat probeer ik nu te doen, twaalf uur per week. Misschien niet geweldig veel in vergelijking met professionele schrijvers, maar het is een begin en ik moet ergens beginnen. Ik wil er al heel lang mijn baan van maken, dus wordt het tijd om het eens als een baan te behandelen, niet?
De methode werkt wel prima. Alleen, in de tentamenperiode is het lastiger om het schrijven en het leren in balans te houden, dus schroef ik het schrijven dan meestal even terug zodat ik meer tijd heb voor het leren.
En in de tentamenperiode is het ook erg lastig om te blijven leren als er iets aan zit te komen waar je al zeven maanden vol enthousiasme op hebt zitten wachten. Ik heb er zin in.
Overigens had ik ook gehoopt om in Amerika in mijn vrije tijd, buiten mijn schrijflessen om, hard te gaan lopen(want hoe vaak krijg je daar nou de kans toe?) maar ik vrees dat ik mijn enkel heb verzwikt, dus dat gaat hem niet worden =/

Hoe dan ook, ik heb vast een hoop te delen in mijn volgende blog. Ik ben benieuwd en ik zie jullie dan!

(Overigens, oproepje aan iedereen die mijn mobiele nummer heeft – zolang ik in Amerika zit, van 28 september t/m 6 oktober, heb ik geen abonnement maar wel WiFi. Buitenlands bellen & SMS-en is peperduur dus vriendelijk verzoek om, als je me moet hebben, dat via WhatsApp, mail, Twitter, reddit, of wat dan ook te doen dat internet en geen beltegoed nodig heeft. Bedankt!)

Toen ik rond vorig jaar hoorde dat ik aan de Roparun mee mocht doen, wist ik meteen, daar heb je conditie voor nodig. Zelfs al zit je op de fiets en doe je maar 11 kilometer per uur, je bent wel de helft van de dag aan het fietsen en je doet het ook met slaapgebrek.
Dus ben ik begin dit jaar aan de slag gegaan om mijn conditie te verbeteren. En hoe? Ik ben hard gaan lopen. Ik heb een cursus gevolgd in Barendrecht waar ik, met behulp van een schema, een loopgroep en een trainer, uiteindelijk naar de vijf kilometer werkte. Klein begonnen, en zo steeds verder toegenomen, tot 29 maart, toen we daadwerkelijk ook die loop deden van vijf kilometer en ik hem heb gehaald. Dat was gelijk ook een afsluiter van de training, en daarna heb ik zelf mijn best gedaan om mijn conditie en hardloopniveau op peil te houden.
De Roparun is nu voorbij, ik heb de afstand fietsend prachtig afgelegd, maar het voelt verkeerd om het hardlopen direct te laten vallen. Het is leuk om te doen, en daarnaast is het ook prettig om een goede conditie te hebben, toch? Dus ben ik nu aan de slag met een trainingsschema dat me hopelijk in staat stelt om aan het eind ervan, een uur non-stop hard te kunnen lopen.
Maar goed, terug naar die vijf kilometerloop die mijn training afsloot. Ik heb die destijds in 31 minuten en 29 seconden afgelegd, wat op zich geen verkeerde tijd was voor een beginner. Ik was maar wat blij dat ik de afstand af had gelegd: ik kon het, en nu kon ik verder. Maar na afloop kreeg ik commentaar van één van die trainers, en dat is een beetje onder mijn huid gaan zitten.
Wat ik me namelijk nog herinner van mijn finish, is dat ik, een meter of twintig van de finish, twee mensen voor me had die net iets langzamer liepen. De trainer in kwestie was de commentator van de wedstrijd, en had mijn naam opgevangen, en zei dus ‘daar is Alexander. En Alexander wil er volgens mij wel langs.’ Dat liet ik natuurlijk niet op me zitten, dus heb ik toen een eindsprint van jewelste getrokken, en ik ging er inderdaad langs, finishte net iets voor die twee mensen.
Die trainer kwam dus na afloop langs, en zei tegen me, ‘je had een prachtige eindsprint getrokken. Je ging loeihard. Maar de meeste mensen die zo’n harde eindsprint trekken hebben niet alles gegeven tijdens de loop ervóór. Volgens mij had je harder gekund en had je sneller kunnen finishen.’
En natuurlijk vergeet je zoiets niet zomaar. Ik wilde die tijd verbeteren, vijf kilometer sneller kunnen lopen. Maar ja, wat voor gelegenheid heb je om vijf kilometer te lopen en te kijken naar je tijd?
Enter de KiKa-run. Een run van één kilometer(voor de kids), tien kilometer(voor de die-hards) of vijf kilometer(voor onder andere ondergetekende). Je kan lopers sponsoren: als ze het beoogde aantal kilometers lopen, dan gaat het geld naar kinderkanker en het onderzoek daartegen. Elke loper heeft een pagina waarop staat hoeveel hij of zij heeft opgebracht. Mijn pagina is hier te vinden. En nee, helaas heb ik niets opgebracht voor het onderzoek, jammer genoeg: ik heb zelf ook niet voldoende gezocht naar sponsors. Ik hoop iets dergelijks nog in de toekomst te kunnen doen. (Overigens, je kan me nog steeds sponsoren ook al heb ik de loop gedaan, dus voel je vooral vrij!) Het initiatief is wel prachtig en ik heb bij de loop ook ontroerende verhalen gehoord van kinderen die zelf kanker hadden, en ik vind het jammer dat ik daar niet aan bij heb gedragen door sponsors te vinden.
Maar goed, weer even terug naar de loop zelf. Ik had mezelf voorgenomen, ik ga dit keer onder die 31.23 zitten en gewoon zo snel mogelijk lopen. Ik wil zo hard mogelijk lopen, om maar onder die tijd te komen.
Ik kan je vertellen, dat was best wel zwaar. Ik begon net iets te hard, maar bleef wel gewoon harder lopen dan normaal, de hele vijf kilometer lang(wat overigens wel een pestend is!). De mensen aan de kant waren zoals altijd een mooie aanmoediging, datgene wat altijd de extra stimulans is om maar harder te lopen en het af te maken.
En ergens, redelijk dicht bij de finish, keek ik op het horloge om mijn pols. 28 minuten. Gevaarlijk dicht bij de dertig.
En daar sprong mijn verstand op nul. Ik had me één ding voorgenomen: dat getal voor de minuten, dat zou geen dertig worden. Ik zou het geen dertig laten worden. Ik ben nóg harder gaan lopen voor de eindsprint. En de eindsprint was niet zo geweldig als de eerste keer, maar hij was er wel. Ik moest en ik zou onder de dertig komen.
29.30. Alsof ik het zo gepland had, prachtig rond. 29 en een halve minuut. Onder de dertig toen ik eenmaal aankwam. Wat was ik trots en opgelucht en blij en vooral heel erg uitgeput. Alles gegeven dit keer, en ik voelde me ook een stuk tevredener over wat ik gedaan had.
En nu is het natuurlijk zaak om daaronder te komen voor de volgende loop. Als ik eenmaal mijn vermogen om een uur lang hard te lopen heb getraind ben ik ook zeker van plan aan mijn snelheid te werken. Hoe? Geen idee. Maar het is te leuk om beter te worden, om nu te stoppen.
Dus overweeg ik nu stiekem wel een beetje om mijn tagline te veranderen van ‘blogs van een schrijvende student’ naar ‘blogs van een schrijvende, hardlopende student’. Of wellicht naar de titel van deze blog, want een student ben ik momenteel niet.
Want ik heb namelijk mijn scriptie af(en heb daar een 7 voor) en heb ook voldoende studiepunten om door te gaan naar de masteropleiding! Ik geniet nu van de vakantie, dus heb ik tijd genoeg om aan mijn hardloopkunsten te werken.
Hoe dan ook, wat vinden jullie? Tagline hetzelfde houden, of toch veranderen? En zo ja, waarnaar?

En ik sluit graag af met een aantal nummers waarop ik zelf graag hardloop. Ik hou vooral van energieke, harde rocknummers als ik aan het hardlopen ben. Dit zijn er een aantal:

https://www.youtube.com/watch?v=wkzRHxd_4ZE I’m The Worlds Greatest van R. Kelly: de ultieme ego-trip, lekker hard en opzwepend, heerlijk om naar te luisteren als je aan het rennen bent.
https://www.youtube.com/watch?v=dA0veYdqB6c De theme-song van The Avengers. Wordt alles niet geweldig als je tegelijkertijd hiernaar luistert?
https://www.youtube.com/watch?v=nx4x1-5V01g Later Als Ik Groter Ben van BLØF. Groot fan van BLØF, en dit is één van hun meest harde rocknummers. Erg prettig om op te lopen.
https://www.youtube.com/watch?v=u1jawQgwi7Q So Glad You Made It van Kane. Hiervan barst ik gewoon los van energie. Je moet even vergeten dat dit de themesong van de Achmea Kennisquiz was, maar dan lukt het wel, denk ik.

Ik spreek jullie de volgende blog weer! Die al dan niet over hardlopen gaat =P

Ik sta op de Coolsingel. Ik heb net mijn fiets weggezet. Samen met mijn team sta ik ernstig bezweet, stinkend en uitgeput, van het applaus van het publiek en de muziek te genieten. Ik wacht totdat we het signaal krijgen dat we door mogen lopen, zodat we dat laatste beetje finish mogen doen, en dan is mijn enorme inspanning van het afgelopen weekend eindelijk voorbij.
Ik heb zin in het laatste beetje Coolsingel. De vorige keren mocht ik dat ook lopen, maar waren het mijn ouders die meededen aan de Roparun. Ik liep dat laatste stukje altijd voor spek en bonen mee: ik deed nooit mee aan de Roparun maar deed het gewoon samen met mijn ouders. Ik moffelde me dan altijd een beetje weg, want het draaide niet om mij, het draaide om de helden die de Roparun wel gelopen hadden. Dat heb ik vijf keer eerder gedaan, en iedere keer deed ik mijn best om er niet te zijn.
Deze keer niet. Ik sta met mijn borst vooruit, zo vooraan als mogelijk, en ik mag er zijn. Kijk naar mij, kijk eens wat ik net gedaan heb. Ik ben uitgeput, maar ik heb het gedaan. De tocht van Parijs naar Rotterdam gefietst. En het applaus is net zo lief voor de rest van het team als dat het voor mij is.
En zwaar was het. Ik heb een behoorlijk weekend doorgemaakt. Maar eerst de vraag, voor degenen die het niet weten, wat is de Roparun precies en hoe zit het in elkaar?
De Roparun begint altijd de zaterdag van het Pinksterweekend, en eindigt Tweede Pinksterdag. Je begint in Parijs en eindigt in Rotterdam. Het doel van het team is om de afstand af te leggen, en van tevoren zoveel mogelijk sponsors te verzamelen die geld willen storten. Dat geld gaat naar palliatieve zorg: zorg voor mensen die terminale kanker hebben, om hun laatste dagen aangenamer te maken.
Er zijn vier groepen mensen bij betrokken:

– De lopers. Zij zijn de ware helden van de Roparun. Zoals de teamcaptain het noemde, de ‘prinsjes en prinsesjes’. De Roparun is een estafetteloop: steeds loopt een loper een kilometer waarna hij of zij wordt afgelost door een andere loper.
– De fietsers. Zij begeleiden de lopers. Ik was een fietser. De fietsers worden ook afgelost, maar op veel grotere afstanden(40 kilometer bijvoorbeeld). Hun doel is om de route te navigeren en te kijken waar de lopers steeds heen moeten. Ook moeten ze de snelheid van de loper bijhouden en ervoor zorgen dat hij/zij niet te snel gaat. Je fietst dus niet hard: 11 tot 15 km/u, het tempo van de loper.
– De chauffeurs. Zij zijn verantwoordelijk voor de wisseling van de lopers en houden het steeds bij wanneer een loper een kilometer heeft gelopen, zodat de volgende hem/haar af kan lossen. Als chauffeur zet je een loper af, en zodra die aangetikt is rij je met het busje verder naar de volgende kilometer waar je vervolgens weer zorgt voor de volgende aflossing.
– De catering en verdere ondersteuning. Zonder deze groep is de Roparun pas echt een hel. Deze mensen zorgen voor het eten en het slapen. Ze zetten de kampen steeds op zodat de lopers, de fietsers en de chauffeurs goed verzorgd zijn, en ze koken. De fysiotherapeuten vallen hier ook onder: ze masseren de lopers en andere mensen bij blessures(ik, als kerngezonde, blessureloze fietser heb helaas geen massage gehad).

Binnen een Roparunteam(ik zat in team 13) zijn er twee teams, team A en team B. In elk team zitten vier lopers, twee fietsers en twee chauffeurs: de verdere ondersteuning staat steeds bij de wisselpunten tussen de teams. Elk team neemt steeds een bepaalde afstand voor zijn/haar rekening, een afstand tussen de 30 en de 60 kilometer. Binnen die afstand lossen de vier lopers van dat team elkaar steeds af om de kilometer. Het andere team, dat op dat moment niet aan het lopen is, wordt afgezet bij het volgende wisselpunt en eet daar, slaapt daar, en rust over het algemeen gewoon uit, totdat zij moeten lopen. Dan rust het andere team weer uit. Als fietser doe je de hele weg van je team: er is geen aflossing onderweg, je kan pas uitrusten als je de hele route van je team hebt gehad en je door het andere team wordt afgelost.
Got it? Mooi. Ik zat in team B, en was daar, nogmaals, fietser, dus begeleider en navigator van de lopers, samen met een andere. Eén van ons tweeën navigeerde steeds, de ander bleef achter de loper fietsen zodat mensen die van achteren in kwamen halen konden zien dat we er waren.

Het begon vrij lastig in Frankrijk. Mijn eerste ronde was 60 kilometer, het langste deel was gelijk het eerste deel, maar dat was te doen omdat ik genoeg had geslapen. Het zwaarste is niet het fietsen: het is het fietsen met slaapgebrek, en daar kwam ik op de tweede dag ook wel achter. Het lastigste was dat ik geen makkelijke slaper ben. Ik slaap alleen echt goed in een bed, zonder enig daglicht of lawaai. Daarom had ik de eerste nacht vrij weinig slaap erop zitten door een hoosbui van jewelste, en kon ik pas na de tweede nacht echt goed slapen in de auto, door pure vermoeidheid. (De laatste rit in de auto duurde voor mij vijf minuten omdat ik de rest sliep, en aan het eind durfde ik mijn ogen niet meer te sluiten omdat ik dan in slaap zou vallen)
Ik heb momenten gehad waarop het geweldig ging. Zele, een dorp halverwege België, is voor de meeste Roparunners het punt waarop het alleen maar beter wordt, en het dorp is zelf ook geweldig omdat het alles uit de kast haalt om de Roparunners te verwelkomen. En dat deden ze: ik heb drie of vier podia gehad waar we langs gingen. Het dorp was zo geweldig dat we het met beide teams hebben doorlopen, zowel team A als team B, omdat niemand het wilde missen – en terecht, we hebben het hele dorp doorlopen met een glimlach. Met al dat enthousiasme wordt het moeilijk om niet gemotiveerd te zijn.
Of Bertry, een paar kilometers eerder, het eerste Franse dorp dat echt wat met de Roparunners deed. Over het algemeen kom je in Frankrijk niet veel verder dan wat half gemeend applaus hier en daar, maar Bertry was het eerste dorp waar er echt applaus was. Waar je kon douchen.
Wat geweldig was, want die etappe fietsen was voor mij echt een ramp. Ik had buikpijn, wilde slapen, had veel te veel gezweet, en al die Franse heuvels begonnen op elkaar te lijken, en ik wilde niet meer dus was het geweldig dat daar een douche was, een zak chips, en een fles appelsap om me te redden van de instorting.
En wat ook een ramp was, was het rondje na Zele. Midden in de nacht, met veel te weinig slaap, door de duisternis fietsen, waar geen hond is hoewel je net in Zele bent ontvangen. En het klinkt verwend, maar door die moeheid en door dat gebrek aan applaus zat ik er ineens helemaal doorheen en wilde ik eigenlijk niet meer. Mijn motivatie was verdwenen.
Wat ben ik blij dat ik toch doorging, want na Zele kwam ik aan in Nederland, en daar werd het alleen maar leuk. Ik heb mezelf toen ook mentaal in mijn gezicht geslagen, waarom wilde ik ook alweer stoppen?! In Zele werden we uitgebreid verwelkomd, maar dat was op een gegeven moment voorbij. Dit hield maar niet op. Steeds weer mensen aan de kant, steeds weer aangemoedigd worden, steeds weer een uitgestoken hand om tegen te slaan, steeds weer mensen die riepen dat we er bijna waren. De kilometers vlogen voorbij. Het was fantastisch, en ineens had ik door waarom mensen zo graag de Roparun liepen. Ik vond het bijna jammer toen we aankwamen, want door al die aanmoediging voelde ik me onoverwinnelijk.
En onoverwinnelijk genoeg om het laatste punt aan te kunnen, het laatste stukje tot de finish aan de Coolsingel. Want dat was de zwaarste ronde van allemaal. En om dat uit te leggen moet ik even ingaan op hoe het eind werkt.
Normaal gesproken zijn de chauffeurs verantwoordelijk voor de wissel en houden die de kilometers bij. Maar op dit laatste stuk mogen de auto’s niet komen, dus is één van de fietsers verantwoordelijk voor de kilometers en de navigatie. De rest van de lopers blijft op de fiets, bij de loper, en wacht op het sein van de fietser. En wie kreeg die schone taak? Jep. Ik moest de kilometers bijhouden, navigeren, zorgen voor al het eten en drinken, en onvoorziene omstandigheden. Eén van de lopers had een fiets die een lekke band bleek te hebben, een andere loper stopte even bij zijn vrouw en kinderen waardoor ik hem kwijt was(wat overigens niet onvoorzien was, hij had het van tevoren met ons afgesproken), en meer van dat soort dingen. Plus dat ik ook nog eens moest fietsen, kapot moe was, en mijn buikpijn behoorlijk heftig was.
Maar dankzij al het applaus en al de aanmoediging was dit niet zo lastig om me erdoorheen te slaan. Al die mensen die maar aan de kant stonden en bleven bevestigen dat we kanjers waren, alle muziek, het was het meer dan waard. Ergens aan het eind kwam team A erbij zodat we als één front de finish konden halen. We stonden met z’n allen aan het eind, en dat voelde geweldig.

En nu sta ik op de Coolsingel. De eigenlijke finish is een paar straten eerder, op het Wilhelminaplein. Daarna is iedereen van zijn fiets af gestapt, zijn de chauffeurs en de ondersteuning erbij gekomen, en konden we met z’n allen richting Coolsingel lopen voor de finish met publiek. Er heerst een euforisch gevoel onder ons allemaal. Ikzelf ben twee of drie keer bijna in huilen uitgebarsten. Van vermoeidheid en van opluchting.
Ik heb al iemand aan de kant zien staan die speciaal voor mij is gekomen, wat me nog een verdere boost gaf. En nu ook hoor ik het applaus en zie ik alle uitgestoken handen. Het applaus is voor het team. Voor ons allemaal en de moeite die we erin hebben gestoken. Voor al het geld dat we hebben opgebracht voor kankerpatiënten. En het is ook voor mij.
Ik weet al dat ik na afloop een roos zal ontvangen. Ik weet ook al dat ik die roos zo hoog mogelijk in de lucht zal houden als ik wegloop van de finish. Omdat iedereen het mag weten, wat ik gedaan heb, dat ik mee heb mogen lopen.
Maar nu sta ik nog op de Coolsingel. Het team voor ons is gaan lopen, wij wachten nog op het sein. Er wordt nog één laatste groepsfoto genomen.
Dan krijgen we het sein dat we mogen. Ik sluit heel even mijn ogen. Ik sta vooraan, borst vooruit, en ben trots.
Dan doe ik mijn ogen open en begin ik met lopen.

I got the eye of the tiger
The fire
Dancing through the fire
’Cause I am the champion
And you’re gonna hear me roar
Louder, louder than the lion
’Cause I am the champion
And you’re gonna hear me roar –
Katy Perry, “Roar”

In deze blog heb ik het over vier dingen in 2014 waar ik naar uit ging kijken, vier dingen die op zich al geweldig genoeg waren, maar waarvan de combo ervoor zorgde dat het al helemaal niet meer stuk kon. Die vier dingen waren Hamburg, de Roparun, fietstocht met mijn neef en een mysterieus vierde ding dat ik nog zou onthullen. Dat ga ik in dit blogje doen.
Maar eerst een verslag van mijn bezoekje aan Hamburg. Ik zou daarheen gaan om een studievriendin van me te bezoeken. Ze studeerde zowel Duits als psychologie en ging voor een half jaartje haar studie Duits in Duitsland voortzetten, waarmee ze dus haar studie psychologie voor een half jaartje stopzette. Ik had beloofd nog een keer langs te komen, en dat heb ik afgelopen weekend gedaan.
Het was geweldig. Schuldbekentenis(niet de laatste van dit blogje, bereid je maar vast voor): het was mijn eerste ‘vakantie’ zonder toezicht van leraren of ouders. Ik ging met een vriend van me, en we mochten bij haar op de kamer slapen. Slaapspullen en dergelijke ook meegebracht. Ik had helaas wel teveel ingepakt – ik ben daar nogal hopeloos in, ik pak echt in als een vrouw(sorry vrouwen!) en pak altijd veel teveel in. Maar goed, ben graag op alles voorbereid.
We hebben met zijn drieën het nachtleven van Hamburg een beetje bekeken: echt uitgaan was het niet, het was eerder met zijn drieën een cafeetje bezoeken, daar wat drinken, en weer teruggaan naar de kamer. Ik ben er vrijdag, zaterdag en zondagochtend gebleven voordat ik weer terug moest, naar huis toe. Het was echt heerlijk gezellig. We hebben verder geen echt toeristische dingen bezocht, we hebben vooral de stad afgestruind en zo af en toe een cafeetje of restaurantje aangedaan.
Oh, en elke morgen bij een broodzaak ontbeten. Schijnt typisch Duits te zijn, dus dat hebben wij ook gedaan. Hadden ze heerlijke dingen. Verder heb ik ook een Apfelstrudel gegeten, want ja, je kan niet in Duitsland zijn zonder minstens één Apfelstrudel op te hebben, toch?
Ik zou haast zeggen ‘voor herhaling vatbaar’, ware het niet dat de treinreis wel echt een nachtmerrie is xD Geen directe verbinding, dus moet je een aantal keer overstappen(vijf keer geloof ik?) en de rit is in totaal zes uur lang. Ik ben dol op lange treinreizen – Rotterdam-Groningen, any day – maar ik ben erachter gekomen dat ik wel een grens heb xD Maar ik zeur, het was geweldig en ik heb genoten van het weekendje weg.

Dat was één. Dus, het mysterieuze vierde ding. Dit is iets waarvoor ik me vandaag in moest schrijven, en aangezien het nogal populair is was het onzeker of ik het op tijd zou halen. Ik heb van anderen ook begrepen dat er ongeveer drie seconden beschikbaar waren waarin je je in kon schrijven.
Maar, ik heb het gehaald! Ik ben binnen, ik heb een enorme dosis geluk gehad. En nu willen jullie natuurlijk heel graag weten wat ik ga doen.
Ik ga naar Amerika. En niet zomaar op vakantie, nee, ik ga schrijflessen krijgen. Zie het als een soort ‘schrijf-vakantie’ als dat helpt. En ik ga niet zomaar schrijflessen krijgen, nee, ik krijg schrijflessen van vier schrijvers die ik bewonder, die ik al minstens een jaar elk op een hoog voetstuk heb staan. En dat zeven dagen lang – van 29 september tot 5 oktober.
Ik heb al eerder op deze blog verteld dat ik elke dag luister naar een podcast die over schrijven gaat, genaamd Writing Excuses. Vier schrijvers organiseren de podcast: elke zondag uploaden ze een podcast over een bepaald onderwerp en praten daar vijftien minuten lang over. Ik heb heel veel van ze geleerd op die manier en mijn schrijven is er echt beter door geworden. Ze hadden zeven complete seizoenen online staan toen ik begon: ik ben bij het begin begonnen, en beluisterde op die manier elke dag één aflevering. (Ik ben inmiddels bijna bij xD) De podcast heet Writing Excuses, en vooral in latere seizoenen wordt de podcast afgesloten met ‘you’re out of excuses, now go write.’
Vorig jaar organiseerden ze een Out Of Excuses Retreat, waarin je je een week lang terugtrekt, in Amerika, in een echte villa, en schrijflessen krijgt van de vier schrijvers in kwestie. Dat was zo’n succes dat ze het dit jaar weer doen. Vorig jaar kwam ik er nogal laat achter, dit jaar ontdekte ik het ruim op tijd. En ik ben erbij. Ik krijg schrijflessen van Brandon Sanderson(mijn favoriete fantasyschrijver!), Howard Tayler(tekenaar en schrijver van een webcomic die al sinds 2000 loopt en elke dag, zonder dan ook maar één misstap, updatet), Dan Wells(schrijver van o.a. horrorboeken die mij een slechte nacht bezorgen) en Mary Robinette Kowal(met name schrijfster van korte verhalen, maar ze heeft ook een trilogie gepubliceerd die het beste omschreven kan worden als Jane Austen met magie). Wat wil je nog meer?

Komt nu de schuldbekentenis. Want, wellicht denkt één van jullie nu ‘waarom kom ik daar nu pas achter?! Ik was meegegaan als ik het had geweten =O’ Ja, waarschijnlijk was jij wel meegegaan, ondanks dat het toch aardig wat geld is. En precies daarom heb ik dit niet eerder verteld.
Begrijp me niet verkeerd: het was geweldig geweest om met vrienden te gaan en er met een vriend(in) van me van te genieten. Maar, zoals ik al eerder zei, drie seconden inschrijftijd. Heel veel mensen gingen voor die inschrijving. Waren dat er nog meer geweest, dan was het nog moeilijker geweest om me in te schrijven. Had ik het misschien niet eens gehaald. Wie weet was jíj wel degene geweest die dan in mijn plaats was gegaan. Paranoïde? Ja, ik geef het toe. Maar op dit punt heb ik even voor mezelf gekozen en heb ik besloten het niet eerder te vertellen. Van tevoren heb ik het alleen mensen verteld van wie ik zeker wist dat ze zelf niet daarheen zouden willen. Als goedmakertje beloof ik plechtig het volgend jaar op deze blog door te geven als de Out Of Excuses Retreat nummer III wordt aangekondigd. Maar dat is nog héél ver weg. Ik concentreer me voorlopig nog op de OOER II, waar ik heenga.

Wauw. Ik was de hele dag al hiermee bezig in mijn hoofd. Ik was de hele dag al bang dat ik het niet zou gaan halen. Een uur van tevoren ging mijn hart als een razende tekeer. En ik ben nog steeds aan het bijkomen van die gezonde dosis stress. Maar ik heb het gehaald, ik heb de tickets binnen. Heerlijk. Nu nog alles qua vlucht, overnachting, en eventueel visum regelen(hoe zit dat met visum in Amerika? Help!). Gaat nog een hele klus worden, maar ik heb het spannendste nu gehad. Wat een opluchting, er valt echt een last van mijn schouders. Ik kan gewoon mee. Ik ga ze gewoon in het echt ontmoeten.

En ik heb tentamens op maandag & dinsdag. Oeps.

Tot de volgende blog!

En het was moeilijk, maar het is me wel gelukt! Mijn verhaal is sinds afgelopen maandag klaar, en ik ben sindsdien vooral bezig om bij te komen van het schrijven(en ik ben aan het werken aan een duo-opdracht, dus dat kost ook wel tijd). Normaal gesproken schrijf ik een half uurtje per dag voor de discipline en zodat ik dingen echt gedaan krijg, maar dat heb ik de afgelopen week eventjes laten schieten. Komt nog wel terug hoor, maar nu gewoon nog even niet de behoefte aan. Mijn muze is op vakantie, en dat heeft ze wel verdiend.

Maar goed, dat ik de 50.000 heb gehaald, dat heeft waarschijnlijk niemand verbaasd. Wat jullie natuurlijk wél heel graag willen weten, is of ik al mijn hoofdstukken 3.333 woorden lang heb laten kunnen zijn. Het antwoord is ja, en toch ook een beetje nee.
Allereerst: ik heb met veertien hoofdstukken, elk minimaal 3.333 woorden lang, de 50.000 gehaald. Alleen ben ik daar in een paar hoofdstukken een beetje overheen gegaan, zelfs, waardoor dat vijftiende hoofdstuk niet echt de 3.333 woorden nodig had om de 50.000 te halen. Het einde was er gewoon, en het had geen zin om daar verder nog iets aan toe te voegen. Uiteindelijk heeft dat vijftiende hoofdstuk iets van 2.000 woorden gekregen, en meer had het ook niet nodig, het eind was er, en ik had de 50.000 al. Dus, heb ik de uitdaging gehaald? Dat is aan jullie om te beslissen.

Waar ik wel achter ben gekomen, is dat ik héél creatief ben als ik op deze manier onder druk sta. Dit was een moeilijke NaNo door die extra uitdaging die ik mezelf heb gegeven, en om de hoofdstukken te vullen moest ik soms enorme kul opschrijven. Waar ik niks van leer, dat geen functie heeft in het verhaal, en dat er waarschijnlijk ook zo snel mogelijk uitvliegt. Momenteel ligt het verhaal bij de Bèta(dankjewel Mafalda, je bent top!) dus maak ik me er nog niet zo’n zorgen over, zij stipt wel aan welke kul mag blijven en welke er weg mag.
Maar in ieder geval, in een hoofdstukje of twee kwam ik echt héél moeilijk uit met de outline. En wat ging ik dan doen, tot mijn grote verrassing? Ik ging er een plotlijn bij verzinnen. Ik verzon een ontsnappingsscène waarbij ik zelf op het puntje van mijn stoel zat. Ik gaf een karakter extra ruimte, extra diepte, op verschillende manieren. Met andere woorden: ik schreef dingen waar ik stiekem zélf heel erg trots op was en ben, die ik nooit had geschreven als ik mezelf de uitdaging niet had gegeven.

Aan het eind werd het wel makkelijker. Je begint het door te krijgen, je gaat dingen beter en uitgebreider beschrijven, je geeft je karakters meer ruimte… kortom, je gaat je schrijfstijl aanpassen. Het is vet moeilijk voor iemand zoals ik die al moet zwoegen voor 2.000 woorden om dan ineens zulke lange hoofdstukken neer te tikken, maar ik heb er verrassend veel van geleerd. Hoe schrijf je langer, eigenlijk. Hoe schrijf je meer in boekvorm. Dat heb ik min of meer geleerd dit jaar. Ik zeg ‘min of meer’ omdat ik weet dat ik hierna weer terugval in mijn normale patroon van korte hoofdstukken, maar ik heb eraan kunnen proeven en volgend jaar met NaNoWriMo ga ik zeker weer proberen langere hoofdstukken te schrijven.

Dus, ik heb veel geleerd, ik heb dingen geschreven die ik normaal gesproken nooit zou hebben neergepend – heb nog nooit zoveel van mijn outline afgeweken met NaNoWriMo – en ik heb veertien hoofdstukken met 3.333 woorden gevuld. Maakt het dan nog uit of ik de uitdaging heb gehaald? Nee, niet echt. Ik heb geleerd wat ik wilde leren, en ik ben blij.

En volgend jaar zien jullie me weer! Ik weet nu al wat ik dan wil gaan schrijven. Het plot hou ik nog even voor me, maar volgend jaar ga ik weer een dubbele doen, net zoals ik vorig jaar deed! Maar dan niet met twee verhalen, maar met eentje. Dat wordt ook mijn uitdaging van 2014 – ik ga een lang verhaal schrijven, veel langer dan dat ik normaal gesproken doe, om me op die manier ook uit te dagen. Ik schiet een beetje tekort in de echt grote plots, ook iets wat oefening vergt. En ik wil dat doen in ruwweg veertig hoofdstukken – dus ook nu weer moeten ze lang zijn, al mogen ze iets korter worden dan die van dit jaar.

Tot de volgende blog! Glimlach

Ja, het is weer die tijd van de maand het jaar. November, het jaar van NaNoWriMo, wat staat voor National Novel Writing Month. De maand waarin, als je meedoet met de wedstrijd, je 50.000 woorden moet schrijven tussen 1 en 30 november. (Of je kan meedoen met movember en je baard laten staan. Fine by me too, maar niks voor mij) De maand waarin ik race naar het beoogde doel in zo’n enorm tempo dat ik andere schrijvers verbluft achterlaat omdat ik toch wel 2.500 woorden in één uur haal. De maand waarin ik verkondig dat 50.000 voor zoveel mensen lastig is, maar niet voor mij, dat het zo makkelijk is dat ik het vorig jaar twee keer heb gedaan en zelfs dat nog ruim voordat november over was.
Maar dit jaar lijk ik eindelijk een uitdaging gevonden te hebben. En waar zit die? Niet in het aantal woorden, want 2012 heeft aangetoond dat ik ook voor 100.000 in 30 dagen mijn hand niet bepaald omdraai. Nee, dit jaar zit de uitdaging in de lengte van de hoofdstukken.
Eenieder die een lang verhaal van me heeft gelezen of geBèta’d weet dat ik erg kleine hoofdstukjes heb: meestal haal ik rond de 1.600 woorden per hoofdstuk. Heb ik een begin, een midden, en vaak ook een duidelijk eind. Niet per se een cliffhanger, maar wel iets wat aanvoelt als het eind van een hoofdstuk. Dat werkt prachtig zolang ik op internet dingen post, want het internet lijkt ervoor gemaakt. Daar is iets veel sneller langdradig dan in een boek, dus kan je de aandacht makkelijker behouden in korte hoofdstukken. Je hebt per slot van rekening nog die drie mails te lezen, een persoon die je op Skype aanspreekt, en je muziek draait, dus ben je snel weer afgeleid naar iets anders. Maar helaas – ik ben niet van plan om tot het einde der tijden me tot het internet te beperken, ik wil ook eens uitgegeven worden. En in een boek, wanneer je je er echt voor zet om het te lezen zonder andere afleidingen in de vorm van websites, kunnen korte hoofdstukken best irritant zijn. Dus, ik moet oefenen met langere hoofdstukken.
Dit is het vierde jaar dat ik meedoe, en als je het een beetje volgt weet je dat ik elk jaar een outline heb, een idee van wat ik in elk hoofdstuk wil. En daar zit dit jaar de uitdaging – want, van mezelf mag ik dit jaar maar vijftien hoofdstukken schrijven. Een snel rekensommetje vertelt je dan dat 50.000/30 ≈ 3.333 woorden per hoofdstuk. Ongeveer twee keer zo lang als wat ik normaal gesproken uitspook in een hoofdstuk.
En ik moet zeggen, eindelijk is november voor mij eens een uitdaging, want ik zit te worstelen. Niet met de 50.000, want dat haal ik wel, maar met het beoogde doel per hoofdstuk. In mijn outline heb ik niet voldoende rekening gehouden met de hoofdstuklengte, waardoor het veel meer improviseren is om een hoofdstuk te vullen. En, meestal kan ik met de 50.000 wel een verhaal creëren dat een beetje lekker tempo heeft, zonder kul te hebben, door die outline – maar al meer dan eens hier heb ik mijn hoofdstukken met kul moeten vullen om maar die 3.333 te bereiken. Ik wil de hele tijd eerder stoppen, maar dat mag ik niet. Ja, ik heb een uitdaging gevonden. Lastigste NaNoWriMo tot nu toe? Dat zou best wel eens kunnen. 50.000 blijkt soms dus nog moeilijker te zijn dan de 100.000, als je voor jezelf maar een ander doel stelt.
En natuurlijk willen jullie heel graag weten waar ik dit jaar over schrijf. Dit jaar heb ik me een bijzonder origineel en uniek plot eigen gemaakt: ik schrijf namelijk, jawel, een parodie. Alsof het nog niet moeilijk genoeg was leg ik me ook nog eens toe op een genre dat ik totaal niet gewend ben omdat ik meestal een beetje faal in het grappig zijn in verhalen. En waarop dan, vragen jullie je waarschijnlijk af? Op alle trucjes die Wrimo’s(schrijvers die meedoen aan NaNoWriMo) gebruiken om de 50.000 te halen.
NaNoWriMo is geen nieuwe wedstrijd – het draaide al een hele tijd voordat ik besloot mee te doen, en het was er volgens mij zelfs al voordat ik (in 2008) serieus ben gaan schrijven. Dat betekent dus dat de ‘community’ die erachter zit met z’n allen een aantal trucjes heeft bedacht voor die 50.000, een beetje inside jokes soms. Je hebt bijvoorbeeld de Travelling Shovel of Death: die gooi je in je verhaal om er een karakter mee om te brengen, en dat zorgt al gelijk voor een mooi aantal extra woorden. Je kan een Wordcount Dragon adopteren, die groeit naarmate je dichter bij die 50.000 komt. En je kan mr. Ian Woon in je verhaal gooien: zijn naam is een anagram van NaNoWriMo. Je gooit hem in je verhaal, hij zegt wat woorden, en je kan meteen weer door met dat extraatje als je vast zit. Als de wedstrijd voorbij is en je weer na mag denken over je plot kan je hem eruit halen, want dan gaat het niet meer over die 50K en kan je aan kwaliteit denken.
Op dat soort trucjes, en meer, is mijn verhaal een parodie. In mijn (overigens Engelstalige) verhaal is mr. Ian Woon de hoofdpersoon en loopt hij bij een psychiater omdat hij een enorm minderwaardigheidscomplex heeft, want niemand geeft nog om hem, want hij wordt per slot van rekening toch wel steeds uit het verhaal gehaald. In die richting moet je het zoeken. Hij heeft een chauffeur die hem van verhaal naar verhaal vervoert, enzovoorts. Tot nu toe vind ik het niet zo heel erg grappig, maar het is in ieder geval een andere kijk op het schrijven van verhalen, en dat aspect vind ik wel heel leuk om neer te pennen. En, het is een heel origineel plot, want als het al eens door iemand anders is gedaan, dan in ieder geval niet zó. Verder is er een vijand, worden er een aantal termen uit de fictie helemaal door de war gegooid, en krijg je een kijkje ‘achter de schermen’.
Alleen, tsja, die lange hoofdstukken hè. Ik had in mijn outline vijftien hoofdstukken, maar nu heb ik het probleem al dat ik noodgedwongen twee hoofdstukken samen moest voegen, waardoor ik er veertien over heb, waardoor het er niet makkelijker op wordt. Heel interessant is het verhaal op sommige stukken dus niet, en ik heb tot nu toe ook mijn twijfels over de antagonist. (Ik wil bij deze Mafalda, mijn Bèta voor het verhaal, dus ook al vast waarschuwen – verwacht niets hoogstaands xD)

En wat ook niet helpt is dat ik het dit jaar moet combineren met tentamens. In 2010 had ik iets dergelijks met proefwerkweek en dat is toen ook goed gegaan, maar desondanks lastig om, nadat je de hele dag keihard hebt geleerd en de stoom zowat uit je oren komt, ook nog een uurtje te schrijven. Vermoeiend, hoe erg dat ook een luxeprobleem is. Ik had afgelopen donderdag een tentamen(SGZ, dat rotvak waarvan ik het tentamen al drie keer eerder had gemaakt) en dat tentamen heb ik tot mijn opluchting vrij ruim gehaald: vrijdag heb ik weer een tentamen, en ik mag het gaan combineren met normale colleges, het schrijven van een opdracht, naar een beloofde write-in gaan en NaNoWriMo itself natuurlijk. Een druk weekje voor de boeg dus, maar ik hoef me in ieder geval niet te vervelen. Aangezien ik een periode achter de rug heb met maar twee contacturen per week is dit wel even verfrissend. Ik word nu wel weer beziggehouden.

En dat was het denk ik wel weer voor dit blogje. Duim voor me jongens, 50.000 gaat hopelijk dit jaar ook gewoon lukken^^

Vakantie deel 2

Dus, hier nog een keer de foto van mijn boeken:

2013-08-20 23.34.22

 

Het meest linkerboek is A Feast for Crows van George R.R. Martin, in vertaling. Deel vier uit de A Song Of Ice And Fire-reeks, bekend van de TV-serie Game of Thrones. (Momenteel bezig met seizoen drie, nog niet afgekeken) Het irritante aan dit boek is dat de helft van de karakters er niet is – die zitten in boek vijf. Op zich is het plot interessant genoeg om je aandacht erbij te houden, en er sterft een karakter in(waarschijnlijk geen verrassing) waarbij ik steil achteroversloeg van verbazing, want die zag ik niet aankomen. Het is zeker een goed boek – ik ergerde me alleen aan het enorm hoge tempo van de latere hoofdstukken vanuit het oogpunt van Cersei en Jaime. Maar, goed boek.

Het boek daarnaast is A Dance with Dragons van dezelfde schrijver, ook in vertaling. Het boek daarnaast trouwens ook – het is in twee delen uitgegeven. Ik heb veel negatiefs over dit boek gehoord. Het zou saai zijn, er zou niets in gebeuren, het zou heel voorspelbaar aanvoelen, enzovoorts. Ik heb het wel eens vergeleken horen worden met boek tien uit het Rad des Tijds, wat vol staat met beschrijving maar waar helemaal niets in gebeurt. Verrassing – ik ben het met alles oneens. Dit was een goed boek, onverwachts en met een veel prettiger tempo dan boek vier. Ik heb helaas alleen het eerste deel kunnen lezen, in het tweede deel ben ik nu bezig. En jullie horen nog wat ik daarvan vond.

Dan zijn we bij De Bron der Verheffing van Brandon Sanderson aangekomen. In vertaling, again. Brandon Sanderson schrijft fantasy en is bekend geworden omdat hij het Rad des Tijds heeft afgerond toen de oorspronkelijke schrijver daarvan overleed. Ik wilde wel eens een afzonderlijke, eigen serie van hem lezen en dat werd Mistborn. Boek één was goed, boek twee las al net zo prettig weg en ik heb me zeker vermaakt. Brandon Sanderson heeft een heel fijne schrijfstijl en hij heeft iets wat ik bij George R.R. Martin & Robert Jordan een beetje mis – briljante twists. Tuurlijk, George R.R. Martin heeft twists, maar bij geen van die twists denk je echt ‘dit is zo slim in elkaar gezet’ of ‘ooh, wat is de schrijver geniaal, ik ben totaal op het verkeerde been gezet’. Dat heb ik wel bij hem. Minpuntje is dat de serie zelf niet zo episch aanvoelt als A Song of Ice and Fire – maar dat is meer iets intuïtiefs. Dit is deel twee en eindigt met zo’n heerlijke twist dat ik eigenlijk meteen boek drie wil lezen.

Het dunne rode boekje daarnaast is I Am Not A Serial Killer van Dan Wells. Niet in vertaling, uniek. (Er was namelijk geen vertaling beschikbaar) Ik heb het in een eerdere blog wel eens gehad over de podcast Writing Excuses, waarvan ik veel heb geleerd op het gebied van schrijven. Brandon Sanderson is één van de schrijvers die standaard in de podcast zit. Dan Wells is een ander. (De andere twee zijn Mary Robinette Kowal en Howard Tayler, als één van die namen jullie wat zegt) Dan Wells had het vaak over zijn werk, en hij is horrorauteur, dus dacht ik ‘ik zal eens een poging wagen en kijken of hij inderdaad het recht erop heeft om mij te vertellen hoe ik moet schrijven’
Dat had hij. Brrr, eng boek. Zit goed in elkaar, maar lees het niet voor het slapengaan. De hoofdpersoon is een sociopaat, geobsedeerd met seriemoordenaars, die probeert om een seriemoordenaar in zijn eigen dorp te vangen. Erg goed geschreven en een aanrader.

De drie witte boekjes zijn van eigen makelij en het zwarte boek daarnaast, daar kom ik zo op. Dan hebben we The man who mistook his wife for a hat van Oliver Sacks. Wederom in vertaling. Het enige non-fictieboek dat ik bij me had(naast een uitgave van Schrijven Magazine) en het las zo af en toe wel irritant. Oliver Sacks heeft een duidelijk wetenschappelijke schrijfstijl, maar dat zorgt er ook voor dat hij vaak enorm grote woorden gebruikt, wat dus erg afleidt en dus irritant leest. Toch heb ik me vermaakt, want hij behandelt wel heel interessante cases. Het wordt echt speciaal in het laatste deel, wanneer hij het over verstandelijk gehandicapte mensen heeft, want daar spat niet alleen de wetenschappelijke interesse, maar ook het enthousiasme en de bewondering vanaf.

Dan hebben we de boekenkast min of meer gehad. Ook heb ik Het Menselijk Lichaam van Paolo Giordano gelezen. In vertaling want ik spreek geen Italiaans. Deze schrijver is wellicht bekend van De Eenzaamheid van de Priemgetallen, waar ik heel veel lovends over heb gehoord. Persoonlijk vind ik dit boek beter. In de boeken van Giordano mis ik een beetje structuur – er is geen duidelijke kop of staart en er wordt soms net iets te kwistig rondgestrooid met perspectiefwisselingen. De Eenzaamheid van de Priemgetallen had een heel abrupt en onbevredigend eind, Het Menselijk Lichaam heeft een veel beter eind dat ook beter werkt. De structuur miste ik wel, maar dit is een goed boek dat lekker weglas.

En dan nog de sensatie van het jaar, Inferno van Dan Brown. In vertaling. Heel veel lovends en goeds over gehoord. En inderdaad, het leest lekker weg. Het heeft echt briljante twists; voor het eerst heb ik een Dan Brown-boek gelezen met open mond omdat ik dingen gewoon echt niet aan zag komen. De karakters zijn goed uitgewerkt.
Toch is dit voor mij het slechtste en meest teleurstellende boek geweest dat ik op vakantie heb gelezen, om twee redenen. Ten eerste omdat Dan Brown zo af en toe een stukje plot afwisselt met een stukje beschrijving van de omgeving. Daar is niks mis mee, maar hij doet het op een reisgids-manier waarbij ik dacht ‘en als u nu naar rechts kijkt, dan ziet u…’. Als ik een reisgids wil lezen, meneer Brown, dan lees ik wel een reisgids. Die stukjes sloeg ik dan ook na een tijdje over. En de tweede teleurstelling is het eind, wat echt een vet onbevredigend en niet-vervullend eind is waarbij ik zin had het boek weg te gooien. Veel erger nog dan bij De Eenzaamheid van de Priemgetallen.
Het ergste is dat het niet had gehoeven. Het is echt een goed boek als je het eind en de reisgids niet meerekent. Want ja, het leest vlot weg, het zit slim in elkaar, het plot is goed. Het boek is het net niet, en net niet is het meest irritante wat er bestaat. Het eind had zoveel beter gekund.

Dan tenslotte dat zwarte boek. The Fault in our Stars van John Green. Jawel, ook deze in vertaling. Ik wilde niet eindigen op een kritische noot.
Ik denk dat ik een nieuw lievelingsboek heb. Het boek is prachtig. Het heeft er niks mee te maken dat een deel in Amsterdam plaatsvindt. Het heeft er niets mee te maken dat één van de karakters Nederlands is. Het boek werkt. Het leest verslavend goed weg en is emotioneel, kan je laten huilen en laten lachen, precies wanneer het nodig is. Het zit vol met gezonde humor maar tegelijkertijd is er ook een tragedie. De hoofdpersoon, Hazel Grace, is zeventien jaar en heeft kanker en geen idee hoe lang ze nog te leven heeft. Ze heeft een lievelingsboek waarin de hoofdpersoon aan kanker leidt en een open einde heeft, en wil al heel lang weten hoe het afloopt. Dan komt ze Augustus Waters, een overlevende van kanker, tegen op een praatgroep en wordt stapelverliefd op hem. Samen zoeken ze naar de schrijver, die in Nederland blijkt te wonen, en ze zoeken hem op om erachter te komen hoe het afloopt met dat karakter. Meer ga ik niet zeggen, maar ga het boek kopen. Het is een prachtboek, wat me tot de volgende conclusie leidt:

2013-08-20-23.08.40_thumb

Eén van deze boeken is prachtig en fantastisch en verdient een miljard prijzen. De andere komt van mijn hand.